De natuur op de Noorse eilandengroep Lofoten is prachtig. In de winter rijzen de steile, besneeuwde bergen rechtstreeks uit zee op, het water is diepblauw en de vissersdorpjes liggen als kleurrijke stippen tussen rotsen en fjorden. Maar dat is niet het enige dat de aandacht trekt in dit seizoen: de winter is hier hét seizoen van de kabeljauwvangst.
Op deze eilanden is de visvangst een belangrijke bron van inkomsten, hoewel het belang ervan langzamerhand is afgenomen. In de wintermaanden – grofweg van januari tot april – varen de schepen uit en komen ze terug met grote hoeveelheden kabeljauw. Die worden vervolgens met duizenden tegelijk te drogen gehangen op houten rekken. De koude, droge lucht en de wind doen het werk.



In maart 2013 was ik met een vriendin op groepsreis in Henningsvær, een klein vissersdorp dat verspreid ligt over een paar eilandjes. Het was dus precies de tijd van het jaar waarin de kabeljauwvangst in volle gang was. En dat was goed te zien.


Die houten rekken, de zogenaamde hjell, zijn overal in het landschap te vinden. En in maart zijn ze flink gevuld. Waar je ook kijkt: vis. Hangend in keurige rijen, met de kop omlaag en de staart omhoog. Het levert een beeld op dat je niet snel vergeet. Een beetje luguber misschien, maar ook wel pittoresk.
De gedroogde kabeljauw noemen we stokvis, of tørrfisk in het Noors. Het conserveren gebeurt al eeuwenlang op deze manier. Voor ons was het een fotogeniek tafereel, voor de mensen hier gewoon voedselvoorziening en een eeuwenoude manier om de vangst te bewaren. Dat maakt Henningsvær juist zo bijzonder. Je krijgt hier geen zorgvuldig aangelegd openluchtmuseum voorgeschoteld. De visrekken staan er omdat er vis gevangen wordt. De boten liggen in de haven omdat er gevist wordt. En tussen dat alles wonen gewoon mensen.
Een ansichtkaart, maar dan met een randje kabeljauw.








